Een verhaal dat raakt – Sonia

,

In het wijkkrantje las ik een verhaal dat me diep raakte. Het was geschreven door Sonia Azatyar, die nu vier jaar in Nederland woont. Ze is geboren in Afghanistan en kwam op haar 27e alleen naar Nederland, zonder familie, in een voor haar volledig nieuwe wereld. Ze beschreef hoe eenzaam die eerste jaren voor haar waren.
In het artikel vertelde Sonia ook hoe ze besloot de Vierdaagse te lopen. Tijdens die tocht voelde ze zich voor het eerst gedragen en opgenomen door de mensen om haar heen. Dat raakte mij. Ik nam contact met haar op en gaf haar een starterspakket cadeau, zodat ze ook de Walk of Wisdom zou kunnen lopen.
Niet veel later zat ze bij mij aan tafel. De avond ervoor waren de verkiezingen geweest; Sonia vertelde hoe moeilijk ze dat vond en was bang voor de uitslag. Diezelfde avond had ze een tekst geschreven. Ze las hem hardop voor. Terwijl ze las, rolden de tranen over haar wangen, maar ze las door.
Haar woorden waren intens, puur en eerlijk. Sonia gaf me toestemming om haar verhaal te delen. In de hoop dat het gelezen wordt, en dat we beseffen hoeveel verlies en innerlijke strijd schuilgaan achter het woord vluchten.

Nachtelijke bekentenis Een lied voor mijn land

Door Sonia Azatyar

Soms is de nacht vriendelijker dan de mensen.
In haar stilte hoor ik het kloppen van mijn eigen hart,
hetzelfde hart dat jarenlang zweeg
tussen naamloze straten,
vreemde talen
en de dunne grens tussen bestaan en verdwijnen.

In ballingschap heb ik mijn stem teruggevonden,
niet om te schreeuwen,
maar om te blijven bestaan.
Hier is overleven een vorm van poëzie geworden.

Hoe langer de dagen duren, hoe beter ik begrijp
dat zonder hoop er niets overblijft.
Misschien zijn het juist die kleine momenten van licht,
die flitsen van vreugde midden in de pijn,
die waanzin van blijven ademen,
die ons verbinden met het leven zelf.

Na mijn gedwongen vertrek uit mijn land
dwong de migratiecrisis mij om betekenis opnieuw te zoeken.
In boeken, in de gezichten van voorbijgangers,
in een taal die nog steeds niet in mijn mond past.
Maar niets kon het stille gat in mij vullen.
Ik werk, ik leer, ik reis,
ik omring me met goede mensen,
maar diep vanbinnen is er iets voorgoed stilgevallen.
Alsof er in mij vele vrouwen hebben geleefd:
één die haar stem uit angst verstikte en vluchtte,
één die alles achterliet haar werk, haar trots, haar verleden zonder om te kijken,
en één die leerde alleen te overleven
in een stad zonder naam, zonder familie,
en uit duisternis een nieuwe betekenis te smeden.

De pijn werd mijn stille leermeester.
Zacht, maar onophoudelijk.
Elke wond een les,
elke nacht een klas.
Wij, migranten, leerden het leven niet uit boeken,
maar van koude stoepen,
lange wachtrijen bij de IND,
en nachten zonder licht.
Terwijl anderen sliepen,
bleven wij wakker in de school van het verlies.

Onze ouders leefden nooit echt in hun land.
Ze hielden alleen stand,
met de voortdurende angst
om hun kinderen te verliezen.
Wij zijn de erfgenamen van hun vermoeidheid.
De kinderen van onrust,
verdwaald tussen twee werelden.
Hier noemen ze ons ‘buitenlanders’,
daar kent niemand onze namen meer.
Maar die woorden zijn geen etiketten 
het zijn littekens,
diep in de ziel,
tussen twee zwijgende grenzen: thuis en ballingschap.

En toch gaan we verder.
We hebben geleerd te leven zonder grond onder onze voeten,
zonder zekerheid over morgen.
We bouwen orde uit het niets:
we staan op, wassen ons gezicht,
kopen brood, drinken koffie,
en glimlachen 
zelfs als ons hart trilt van vermoeidheid.

We leerden glimlachen uit angst,
om anderen gerust te stellen,
niet onszelf.
Maar nu, in deze stille ballingschap,
glimlach ik soms alleen voor mezelf 
voor de momenten waarop niemand ziet
wat er in mij beweegt,
voor de momenten waarop enkel de spiegel luistert.

Ik leef in een stad
waar ik geen verleden heb.
De geluiden van deuren en fietsen wekken me,
niet de stem van mijn moeder.
Alles is vreemd,
maar juist die vreemdheid leert me
hoe ik een thuis kan bouwen in het onbekende.

Soms denk ik dat ik uit het systeem van het leven ben gevallen 
uit de eindeloze cyclus van succes en falen,
de wedloop van geluk.
Maar juist in die wanorde
heb ik een nieuwe manier van zijn ontdekt.
Ik leer betekenis te maken, elke ochtend opnieuw,
met elke stap, elke blik, elke ademhaling.

Misschien is dat wat kracht werkelijk is:
het vermogen om je eigen ritme te scheppen
in een wereld die steeds uit elkaar valt.

Wij, de generatie van ballingschap,
staan nog overeind 
met harten vol barsten,
maar nog steeds licht.
Met herinneringen die zijn weggevlucht,
maar hoop die is gebleven.

Wij leven nog.
En diep in onze wonden klopt iets 
een licht dat niet uit het vaderland komt,
niet uit grenzen,
maar uit de pijn zelf.

Wij zijn de generatie van overleven,
die leerde wortel te schieten in vreemde aarde:
met wortels in het verleden
en takken die reiken naar een onzichtbare toekomst.

En misschien is dát de ware betekenis van leven:
niet aankomen,
maar doorgaan 
te midden van chaos,
te midden van ballingschap,
te midden van alles wat ons niet brak,
maar langzaam,
ons heeft gemaakt.

Sonia Azatyar