Door Gerson Van Luijk

De Bisonbaai.  Het moeilijkste vind ik om te onthaasten. De tijd te nemen. Stil te staan om alleen maar stil te staan en te kijken, te voelen, te ruiken. De wereld lijkt soms alleen om jezelf te gaan en het kan egoïstisch voelen dit bewust te worden. De wereld voelt dan als een grote deken om je heen. Dan weer een fijne wollen deken tegen de kou en dan weer een oude deken als een oude kapotte jutten zak. Maar alleen wandelend door de wereld zie je dat deze deken altijd past. Dat het perfect is omdat je zelf de dingen kunt plaatsen en plukken, die je ervan wilt gebruiken. Alleen door de wereld wandelen, niks vast te leggen, alleen te zijn op het pad met jezelf; het voelt als de pure “ik” grijpen. Maar toch wil ik de route simpelweg vervolmaken, alsof ik ook deze route gewoon weer wil afvinken van een lijstje, alsof het een taak is.

Afvinken dat je in de kou het water van de Bisonbaai beroerd. Dat dit een verkwikkend gevoel geeft (en ja, daar voelde ik lang zenuwen van in mijn borst; en ja, de duik gaf een enorme hoeveelheid variatie van gevoelens). Afvinken dat je je oren spitst voor watergeruis in het Filosofendal. Et cetera, maar mijn echte doel is dus te stoppen met afvinken. Een leven zonder af-te-vinken-doelen lijkt me saai en eng, maar het geeft misschien wel tijd voor rust, jezelf, de wereld, de ander. De laatste dag zou ik wel weer een duik willen nemen en dan misschien zonder af te vinken.

Kranenburg
Foto: Marja Hakkoer

Kranenburg. 

De velden zijn nog wit van de rijp. Ik voel de warme thermosfles vol thee tegen mijn rug. Ik loop zacht glooiend landschap in. Gakkende ganzen op de achtergrond. Voor mij uit de koperen bol van de zon die steeds meer verblinden doet. Boven Duitsland hangt ze nog. Schuin daarnaast de bleke sikkelmaan van de voorbij gegane nacht, ze hangt aan een onzichtbaar draadje te balanceren. Dat is wakker worden. Na de stilste nacht ooit. Geen mobiel, geen tv.

Voor mij doemt de mist nu dikker op.

Het is onbekend waar ik op toe loop. Grijs en wit. De kaart heb ik ook weg gestopt; ik laat me leiden door het kenteken van de route. Achter me zie ik nog de heuvels van Nijmegen. Er doemt een bank op. Er staat troosteloos een jong kaal boompje naast. Eens zal zij machtig over het vermolmde bankje heen buigen. Ik kijk om. De heuvels zijn nu ook verzwolgen door de mist. Voor me probeert de waterige zon duidelijkheid te geven. Geluid van auto’s ergens om me heen. 

De Nieuwe Wetering.  

Het indrukwekkende van de tocht is er een beetje af geraakt. Geen dramatische effecten meer. Ik zit hier nu op een bruggetje in het midden van een vaart. Het is heel stil en leeg en eenzaam. Er zijn hier maar weinig mensen. De achtergrondgeluiden zijn in willekeurige volgorde: de snelweg, kwakende eenden, vrachtverkeer dat over drempels rijdt, een klapperende specht, de wind door de bomen en het riet, af en toe een gevechtsvliegtuig hoog in de lucht, fluitende vogeltjes, die twee in-paniek-rakende ganzen, die me overal lijken te achtervolgen en dan zijn er mijn gedachten, die soms schrikken omdat het even lijkt of er iemand anders de brug wil oversteken, maar ik ben de enige die deze hele brug mag bezetten en pontificaal in haar midden zit. Hoe lang zal ik hier nog willen mijmeren over hoe lang ik hier nog zal mijmeren?

Er loopt een hond langs.

De baas loopt onverschillig door en er is een behoorlijke afstand tussen hem en de hond ontstaan. De man loopt ginder door een hek een bruggetje over. Het hek slaat dicht en ik vraag me onwillekeurig af hoe de hond nu ooit naar de overkant van het slootje komt. Het hek is immers dicht. De hond loopt vol zelfvertrouwen richting de brug en het hek. Ik verwacht elk moment een enorme sprong met flikflak van het hondje om aan de overkant te geraken. Er volgt een sprongetje, een hupje beter gezegd. Langs het hek, tussen de tralies van de railing direct het bruggetje op. Zo kan het ook, terwijl ik alleen maar het pad met het hek zag. Het loont anders te zijn…

Ik vraag me af waarom ik meestal tijdens het wandelen naar beneden kijk.

Ik kijk naar de grond om mijn voeten te bewaken dat ze niet struikelen over oneffenheden. Maar soms loop ik dan helemaal verkeerd en mis ik belangrijke kentekens van de route. Als ik nu eens om me heen keek, omhoog en vooruit, dan zou ik beter zien waar ik heen ga en zou me meer opvallen hoe onwaarschijnlijk de kerken en zandheuvels in dit verlaten polderlandschap zijn. Dan zou ik de aanwijzingen zien en het juiste pad kiezen om aan te komen waar ik heen wil gaan. En ja, dan struikel ik soms.

De Waal. 

Het is de laatste dag en ik loop in het oog van de orkaan. Voor me donkere wolken, boven me diep blauw en even is de wind weg. De lucht verandert elke tien minuten. Wodan op zijn machtige rolmobielen! De vleugels van de meeuwen weerkaatsen wit de laaghangende zon. Een nieuwe dag is aangebroken. Daar waar de tak (een dode tak) breekt door de wind, daar neem ik drie duiken, of beter gezegd onderdompelingen, in de Waal. Er zijn even geen boten en het is fijn. Bij deze boom hang ik mijn verleden op in de vorm van mijn oude pyjamabroek. Het loopt nu lichter en opgelucht. Ik besef me weer hoe alles om mij draait. Dat is mijn leven, want mijn leven draait om mij. Egoïstisch?

De Rijn is wild.

De wind raast er over heen. Golven zijn bergen en dalen in het water. Geen stukje rivier is vlak. Groen-blauw botst het tegen de stenen van de kribben. “Blijf in het gareel!” schreeuwen de basalt keien. Ik sta weer stil en laat de wind om me heen suizen. Zoveel wind. Het zachte geel van zand met zwarte strepen van losse takken. Het groen-blauw van hard gegeseld rivierwater, waar het donzige zandgeel in verdwijnt. De wortels van de oude wilgen naakt en hoog boven het oeverstrand.

Ik zit weer in de auto. Een beetje verdrietig dat het afgelopen is. De herrie zal weer terugkeren. Nog even ademhalen.