Tekst en foto’s: Rebekka van den Brink

Daar stond ik dan voor de Stevenskerk in Nijmegen. Hier zou ik me als pelgrim van The Walk of Wisdom (WoW) dus moeten registreren. Dit was mijn begin- en ook mijn eindpunt. Maar de kerk was gesloten. In een flits was er die eerste neiging om iets aan deze onduidelijke situatie te doen, om het internet te raadplegen. Maar dat was helemaal geen optie, want ik had geen smartphone meer. Geen internet. Dus ik begon maar gewoon. Ik ging lopen.

Benedictus van Nursia noemde het ‘stabilitas’. Het scheppen van een routine in de dag om uiteindelijk orde te scheppen in je luimen en stemmingen. Een ordening die ‘niet zomaar iets verdringt, maar die een ruimte opent waarin het hart geheeld kan worden’. Het is een genezingsproces. Ik had tijd nodig om te wennen aan de nieuwe ordening van de dag. De eerste twee dagen zoog ik overdag alles op. De zon, de vogels, de vergezichten, de historie van het landschap en het begin van de lente.

Maar ‘s avonds voelde ik me eenzaam in een vreemde wereld met niet meer dan een dagboekje en dun boekje van Anselm Grün om me door de avonden te loodsen. Een belangrijk onderdeel van de stabilitas is het aanpakken van je problemen, in plaats van ze te ontlopen. Dit zou je volgens Benedictus doen door niet in allerlei activiteiten weg te vluchten, maar eerst de confrontatie met jezelf aan te gaan. Hij noemde dit ‘op je cel blijven’. Pascal was zelfs van mening dat ‘alle ongeluk van de mensen voortkomt uit hun onbekwaamheid rustig en alleen op hun kamer te kunnen blijven’. In de meest fysieke en psychische zin van het woord werd ik hiermee geconfronteerd. En in die eerste dagen dacht ik dat deze stemmingen me de rest van mijn reis zouden vergezellen.

Op de derde of vierde dag ontstond er echter een nieuwe routine en dit bracht een bijzondere rust met zich mee. Dit ervoer ik ook heel bewust. Het was na weer een lange dag lopen dat ik naast een kachel zat en ik het voelde: het was gewoon goed zo. Onderweg ben ik verschillende andere pelgrims tegen gekomen, met wie ik een langere tijd of kortere tijd meeliep. Stuk voor stuk bijzondere ontmoetingen. Vooral zal de reisgenote me bijblijven die van onze bijzondere ontmoeting een gedicht gemaakt heeft. Een gedicht over mijn levensreis. Ik ben me er weer bewust van geworden hoe vaak ik contact maak met mensen die ik niet ken. Een groet, opmerking, vriendelijk woord, kort gesprek, innige ontmoeting. Niet alleen nu, maar dat dat een deel is van wie ik ben.

Elke dag liep ik tussen de 20 en 30 kilometer. Hoewel de WoW 136 km lang is, heb ik vele kilometers meer gelopen. Toch was mijn tocht toch vooral een reis naar binnen. De laatste dagen kwam ik geen andere pelgrims meer tegen en hoewel korte ontmoetingen bleven, liep ik toch helemaal alleen. Mijn gedachten waren tegen die tijd op een bijzondere manier tot rust gekomen. Ik ervoer een heel onbevangen kwetsbaarheid ten aanzien van de verbinding met mijn gevoelsleven. Hoe bijvoorbeeld het liggen van de wind mijn wangen de kans gaven iets op te warmen en de dankbaarheid die dat in me losmaakte. Hoe blij en trots ik was als een bosje voor een perfect toilet kon zorgen. Het ontzag dat ik bijna fysiek in mijn borst voelde voor de desolate uiterwaarden van de Waal en voor de uitgestrekte voetstaploze stranden. Alleen ik en de wind en het water. Een hommel, bevroren gras.

Alles kwam binnen, rauw. Een dode vis in een weiland (als bewijs van de hoge waterstand vorige week) bracht tranen in mijn ogen. Niets dat de connectie tussen mij en de wereld om me heen verstoorde, geen ruis. Alleen maar wat er was. Slapen, eten, lopen, zien, voelen. Leven. Wat voelt het als een rijkdom dat deze ervaring, deze reis naar binnen die weer zo eigen en uniek was, me gegund is! Dat ik aan mezelf een goede reisgenoot heb met wie ik veel vaker erop uit kan trekken. Aan het einde van de reis stond ik weer voor de Stevenskerk. Zelfverzekerder dit keer belde ik aan. En er werd open gedaan…


“De vraag werd gesteld en ik gaf antwoord
Ja, zei ik, ja
Op dat moment werden vluchtwegen versperd, gingen achterdeurtjes dicht, was er niets meer om me achter of in te verschuilen,
was er geen donker meer om ongezien in te zijn, lifeline ontkoppeld, vangnet opgerold,
er waren geen helpende handen meer, vanaf hier moest ik alleen verder…
Ik weet niet precies wanneer, of tegen wie of wat ik het zei, maar ik zei het:

Ja, zei ik, ja
Ik ga”
(Dineke de Velde Harsenhorst)