Door Damiaan Messing

De licht beregende kasseien van de Nijmeegse Grote Markt knisperen onder mijn banden als ik rond half zes ’s ochtends van de Stevenskerk vandaan fiets. Na een krasse start kijk ik om me heen: mijn vriendin Manja komt vertraagd achter me aan gereden, samen vervolgen we langzaam onze weg.

“Ze zeggen dat je pas oud bent als je moeder sterft” – de zin fietst met me mee. De zin komt uit het verhaal Racefiets dat tijdens de pelgrimslauden werd voorgelezen, een nieuw bezinningsmoment bij zonsopgang rond het getijden- en pelgrimsboek Seizoenen van het Leven. Ik fiets zelf op een racefiets, gisterenavond laat opgehaald uit Amsterdam, hij was van een van mijn beste vrienden. Die vriend is dood. Je bent pas oud als je vrienden sterven.

Vijftien minuten eerder.

Een rondgang door een verlaten kerk op een kwartier waar ik er anders nooit ben. De stadslantaarn knipt uit als we naar binnen gaan, waar alle lampen zijn gedoofd op het groen omrande schijnsel van de noodlamp na. Vanuit de hal stappen we de omgang in. Schaduwen rondom. In lange lijn lopen we een lus om het middenschip.

We zijn met acht, negen ietwat onwennig samen, maar al snel vertrouwd in acht eeuwen geschiedenis. De ochtendschemering tipt de vormen aan. Tussen de hoge pilaren, onder het hoge dak, wachten lege stoelen. Details van beelden trekken traag aan me voorbij. Wij zijn de boden van de nieuwe dag.

Dubbele tik op de marmeren vloer. Met warme plechtigheid legt de Stevenspedel het boek neer. De voorlezer knipt een zaklantaarn aan:

Racefiets, door Steffie van den Oord

“Oudere mannen kwamen naar mij toe en lispelden liefdesverklaringen, gericht aan mijn moeder. Aan de late kant.
Ik snelde de stad uit, racete door dorpen zonder naamborden te zien, en over dijken. Soms ving ik een geur op die er bijna op leek, zondagse soep, soms straalde het asfalt haar warmte uit.
Ze zeggen dat je pas oud bent als je moeder sterft. Maar ze zeggen zo veel en ik voelde me jonger dan ooit, viel mijn knieën weer stuk. En mijn vader, altijd groenteboer geweest, werd een dichter. Het verdriet, vond hij, was een storm die ging liggen en die steeds weer opstak.
Ik trok een lijn met mijn rem, hield een voorbijganger aan voor een pen en schreef het op; ik draag zijn woorden op mijn rug, in het zakje met de bezwete mueslireep.

Ik kan schrijven wat ik wil. Niets evenaart haar laatste woorden tegen mijn vader, die als een prille minnaar bij haar bed zat: Het grote grasveld met de machine maaien, het kleine met de handmaaier, en ’s avonds alle deuren goed op slot. 
Ik sjees door de geur van gemaaid gras en adem het in met hongerige longen.
Ze kon ons ook niet missen maar er zat niets anders op: ze zei het in één adem.
Ze was als de Duivelsberg, denk ik op de weg terug, pittiger dan je denkt en groots, een warm mysterie – en toch vertrouwd tot in de kleinste beweging. De woorden steken op, het stormt.
Ze gaan weer liggen. Doortrappen maar.”


Seizoenen van het Leven: een hedendaags getijden- en pelgrimsboek (link).
De pelgrimslauden is een bezinningsmoment bij zonsopgang in de Nijmeegse Stevenskerk, iedere eerste zaterdag van de maand.